- fassen
- fassenI 〈onovergankelijk werkwoord; haben〉1 pakken, grijpen ⇒ vat krijgen2 grijpen ⇒ aanraken♦voorbeelden:1 die Schraube fasst • de schroef paktder Wind fasst ins Segel • de wind krijgt vat in het zeil2 nach einem Glas fassen • naar een glas grijpenII 〈overgankelijk werkwoord〉1 (vast)grijpen 〈ook figuurlijk〉 ⇒ (vast)nemen, (vast)pakken2 grijpen ⇒ arresteren, gevangennemen3 opdoen, inslaan ⇒ innemen4 kunnen bevatten ⇒ ruimte bieden5 vatten ⇒ omsluiten, inlijsten6 vatten ⇒ uitdrukken, formuleren7 voor mogelijk houden ⇒ geloven8 meepakken, grijpen9 〈figuurlijk〉(op)vatten ⇒ krijgen10 〈formeel〉aangrijpen ⇒ overvallen11 〈formeel〉begrijpen♦voorbeelden:1 〈figuurlijk〉 jemanden zu fassen bekommen • iemand te spreken krijgenjemanden an, bei seiner schwachen Seite, Stelle fassen • iemand op zijn zwakke plek raken〈figuurlijk〉 jemanden bei seiner Ehre zu fassen versuchen • op iemands eer(gevoel) proberen te werken2 einen Verbrecher fassen • een misdadiger arresteren3 die Lokomotive musste Kohlen fassen • de locomotief had kolen nodig4 diese Flasche fasst einen Liter • deze fles kan een liter bevatten5 Edelsteine in Gold fassen • edelstenen in goud vatteneinen Weg mit Bäumen fassen • een weg met bomen omzomen6 seine Gedanken klar fassen • zijn gedachten duidelijk uitdrukkenetwas in Worte fassen • iets onder woorden brengen7 das ist nicht zu fassen! • je houdt het niet voor mogelijk!8 das Zahnrad fasst das Getriebe • het tandrad grijpt in het drijfwerk9 keinen Gedanken fassen können • tot enig denkwerk niet in staat zijnVertrauen zu jemandem fassen • vertrouwen in iemand krijgeneinen Vorsatz fassen • zich iets voornemenWurzel fassen • wortel schieten 〈ook figuurlijk〉etwas ins Auge fassen • iets onder ogen zienjemanden ins Auge fassen • iemand op het oog hebben10 Angst, Entsetzen fasste mich • angst, ontzetting greep mij aanIII sich fassen 〈wederkerend werkwoord〉1 tot bedaren komen, zich beheersen ⇒ opnieuw zijn evenwicht vinden2 zich uitdrukken♦voorbeelden:1 fass dich! • beheers je!2 sich kurz fassen • het kort maken
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch. 2015.